vrijdag 14 juni 2019

Klavereiland



Een stortbui deed de wadi onderlopen, waarvoor hij is bedoeld. Witte klaver heeft de tijdelijke status van waterplant. Hij houdt het vol, gedraagt zich eilandachtig. Er komen betere tijden.

sandergrootendorst © 2019

dinsdag 11 juni 2019

Distelboktor



Een belangrijke reden waarom insecten niet zouden moeten uitsterven is – naast het grote risico dat de mens dan ook uitsterft – dat ze zo mooi zijn. En elke soort of ondersoort is weer net even anders. Daar kunnen kunstenaars, indien zij zouden overleven, natuurlijk nooit tegenopknutselen. Veel insecten leiden overigens minstens zulke interessante ingewikkelde levens als kunstenaars en andere mensen. De larven van de distelboktor voeden zich met de sappen in de stengels van distels en brandnetels. Ze eten, in tegenstelling tot de overgrote meerderheid van de boktorfamilie (wereldwijd zo'n 30.000 soorten), geen levend of dood hout. Volwassen boktorren dragen hun antennes als herten een gewei.

sander grootendorst © 2019

zaterdag 1 juni 2019

Rozensonnet





Veertien in sonnetvorm gerangschikte blaadjes van egelantier en hybride roos, een product van de tuin getiteld parfum.









sander grootendorst © 2019

zondag 26 mei 2019

Lebuinus is terug

Als monniken verklede manspersonen staan klaar voor de inwijding van een beeld van de heilige Lebuinus, eerder vandaag, bij de Dorpskerk in Wilp. Op de witte stoelen zitten burgemeester Jos Penninx en schrijver/politicus Jan Terlouw. "Van Lebuinus is maar heel weinig bekend, maar we kunnen wel verantwoord over hem fantaseren," zei Terlouw, die de missionaris betitelde als "iemand met idealen en moed". En ook als iemand die "verdieping" bracht in het leven van destijds (de vroege middeleeuwen).
Het kunstwerk is gemaakt door Theo Schreurs.


sander grootendorst © 2019 wilp/zutphen


Ereprijs

Als mannen stoppen met gemaai
blijft het gazon tenminste fraai.
Controlezucht en netheidswaan
zijn weinig waard: alles wordt saai.



sander grootendorst © 2019

vrijdag 24 mei 2019

Bijenappartementencomplex


In mijn stadstuintje houd ik bijen, niet voor de honing, maar voor de gezelligheid. Rosse metselbijen heten ze en je hebt geen imkersdiploma nodig om succes te kunnen boeken. Ooit kreeg ik van iemand een bijenhotelletje cadeau, dat hing ik op aan een spijker die toevallig uit de buitenmuur stak. Het bestaat uit korte bamboepijpjes, bijeengehouden door een houten omlijsting die naar boven toe in een punt eindigt: de bijen hebben een dak boven hun hoofd dat ze zelf niet als zodanig zullen ervaren.
Insecten maken geen gebruik van websites als booking.com, ze komen altijd op de bonnefooi. Verrassend hoe snel ze dit argeloos geplaatste, niet bepaald vijfsterrenhotel hadden gevonden. Ik herinner me de eerste keer dat ze incheckten: een metselbijvrouwtje inspecteerde de entree en die beviel haar blijkbaar prima, want nadat ze eerst een tijdje was verdwenen, meldde ze zich opnieuw. Geloof het of niet, haar terugkeer gaf me een blij gevoel.
Eigenlijk is bijenhotel geen goede benaming. Bijenappartementencomplex zou het moeten zijn. De bijen zijn niet op vakantie, niet op stedentrip, noch op doorreis. Ze laten er hun kroost geboren worden en opgroeien. In hun kamer slaan ze bovendien behoorlijk aan het verbouwen, wat de gemiddelde hoteleigenaar niet zeer op prijs zou stellen.
Belangrijk voor de keuze van een geschikte woning is de nabije aanwezigheid van een supermarkt waar je stuifmeel en nectar kunt krijgen. Het stadstuintje biedt een beperkt assortiment, maar voor de metselbijen is het ruim voldoende. Ze delen het probleemloos met andere klanten, waaronder honingbijen en akkerhommels. Met genoegen mag ik ze observeren bij het inslaan van de voorraad. Ik meen dat ik het gezoem van de verschillende soorten al uit elkaar kan houden. Altijd fijn, wanneer je je klanten ook een beetje persoonlijk kent.
Wat zich binnen in het appartement afspeelt, daar heb ik geen kijk op. Heb ook niet waargenomen dat het vrouwtje minuscule modderklontjes aandroeg om eerst een drempel en daarna een muurtje te metselen. Toch moet ze dat hebben gedaan. In de aangelegde voedselvoorraad maakt ze een kuiltje en daarin legt ze een ei, direct achter de drempel die ze vervolgens verhoogt tot aan het plafond. Om aan deze kant van dat muurtje opnieuw een drempel te plaatsen, voedsel te deponeren, een eitje te leggen en de boel hermetisch af te sluiten. Tot de bamboepijp vol is. De laatste, buitenste, kamer blijft leeg, om vijanden te misleiden, zoals sluipwespen.
Alarm! Vijand gesignaleerd! Een lid van de familie wolzwever, op bijen gelijkende vliegen die eitjes leggen in metselbijwoonruimtes, waarna de larven de bij-in-wording oppeuzelen. Ben geneigd deze weg te jagen, maar besef tegelijkertijd hoe miraculeus het feitelijk is dat zo’n wolzwever zonder gsm een bijennest daadwerkelijk weet te lokaliseren. Nou ja, niet voor niets richten metselbijen meerdere kamers in. De soorten zijn op elkaar ingespeeld.
Indien gevrijwaard van wolzweverbezoek, ontwikkelt de larve zich in het appartement tot jonge bij. Volgend voorjaar knaagt hij of zij een deurtje in het muurtje en checkt uit. Als het goed is staat de supermarkt dan weer gastvrij in bloei.

sander grootendorst © 2019
sander🐒natuurvertaler.nl
column verschenen in weekblad Contact/Achterhoeks Nieuws, 22 mei 2019


maandag 20 mei 2019

Hulpje in de natuurhuishouding

Een loopkever genaamd kleine poppenrover steekt een straat in Zutphen over. Met haastige spoed, op hoop van zegen. Zag ze de laatste tijd vaker (maar nog niet in deze stad), in alle gevallen als verkeersslachtoffer. Als loopkever leven is in de geasfalteerde wereld geen sinecure. Hun toename hebben ze mogelijk te danken aan de opmars van de eikenprocessierups, die op het menu staan van poppenroverlarven. Gezonder voor de leefomgeving dan het inzetten van de gifspuit die alle insecten in de eikenboom doodt, zowel vriend als vijand. De natuur draagt gewoonlijk zelf secure oplossingen aan, ook voor door mensen als probleem ervaren omstandigheden. De natuur plaatste als het ware een wereldwijde oproep. De kleine poppenrover, toch al in de buurt, was een van de soorten die zich spontaan als hulpje meldde.

sander grootendorst © 2019

Zie ook: https://www.contactzutphen.nl/nieuws/column/256862/oerend-smart-vriend-en-vijand?redir

donderdag 16 mei 2019

Vraag 4



langs een wandelroute. de enige overgebleven vraag. de andere waren verwijderd of verwaaid.
'neem in het plastic zakje 150 gram steenjes mee.'

sander grootendorst © 2019 

vrijdag 3 mei 2019

donderdag 2 mei 2019

Heesterslak



De een z'n regen is de ander z'n zonnetje.
(En een staaltje natura artis magistra).


sander grootendorst © 2019 

vrijdag 26 april 2019

Stadsnatuur 12



Een samengesteld ganzengezin passeert het nest van fuut.

© 2019 sander grootendorst

zondag 21 april 2019

Paralleldreef



Vanavond treedt de bekende dichter Parelleldreef op met zijn nieuwe programma 'omleiding'.

© 2019 sander grootendorst

zaterdag 20 april 2019

Insectenfacebook



🙂Franse veldwesp, meegelift met de klimaatverandering. Zag de eerste in Zutphen circa 2008, sindsdien flink in aantal toegenomen. Geen nazomerse limonadewesp overigens.

© 2019 sander grootendorst

zaterdag 6 april 2019

Bloemenzand

Zandkorrels op de rug van een grijze zandbij. Ze maken kraamkamers in zelf gegraven holletjes in zanderige grond. Zoals zoveel insecten zijn het pioniers. De zanderige terreintjes –– zoals hier in een plantsoen –– kunnen binnen de kortste keren weer verdwenen zijn. Bijvoorbeeld wanneer de beheerder besluit dat er 'werkzaamheden' moeten worden uitgevoerd en tragisch genoeg de daad nog bij het woord gaat voegen ook. Weg bijenwerkzaamheid.
Maar soms zit het mee en blijft de kolonie ongemoeid. De bijen moeten het hebben van het stuifmeel van wilgen, bomen die vroeg in het jaar bloeien. En dan is de grond waarin ze graven nog niet dichtgegroeid. In mei zijn de zandbijen alweer uit het zicht verdwenen. De nieuwe generatie zit onder de grond. Bijen kunnen niet zonder bloemen, zandbijen bovendien niet zonder zand.



sander grootendorst © 2019

donderdag 28 februari 2019

IJzersterk




Het kleine, onooglijke, kan net zo spectaculair zijn als het grote. Het wordt meestal bij toeval ontdekt. Al tientallen keren was ik langs de gracht gelopen, niet het mooiste stukje van de stad, vlakbij een urinoir bijvoorbeeld. Het talud is het decor van een heleboel hondenpoep. De baasjes denken dan: goed zo Boris, deponeer ze in het gras, dan hoef ik ze niet op te ruimen.
De stoep is smal, je moet je langs een rij strak geparkeerde auto’s wurmen. En de gemeente heeft er zogenoemde nietjes geplaatst, van die metalen dingen, een meter hoog, waar je je fiets aan kunt vastketenen. Gewoonlijk behouden ze hun glanzende metaalkleur, maar deze zijn bordeauxrood geschilderd. De beide hoeken van het nietje zijn afgerond tot bochten. Op een ervan zit een groen vlekje. Bij nadere beschouwing blijkt het een plantje te zijn. Bij nog nadere beschouwing een varen, een muurvaren. Vaak in de voegen van oude muren te vinden. Van oudsher waren het rotsplanten. Ook zo’n keihard gesteente kent zachte plekken en laat ruimte aan planten die het experiment niet schuwen. Dat biedt overlevingskansen ten opzichte van de minder waaghalzerige concurrentie. De poriën van het metselwerk, zeker in oude, niet perfecte, maar wel oerstevige bouwwerken, laten minuscule druppels water door en als zo’n varen zich er eenmaal heeft gevestigd – wat zonder water, hoe weinig ook, nooit zou lukken – vangt het plantje zelf extra vocht op uit de lucht.
Je kunt dit evenement op een willekeurig tijdstip bezoeken. Je hoeft niet te wachten op de specifieke data van Bokbierfestival, beachvolleybaltoernooi of de verkiezing van de sterkste man van Zutphen. Je staat vooraan, bent de enige toeschouwer. Je laat je verrassen.
Het varentje doet zijn naam geen eer aan, metaalvaren zou het moeten heten. De dag dat ik in het vlekje een muurvaren herkende, meende ik nog dat het zo op het blote metaal zat geplakt. Maar er zit een gaatje in de stalen bocht, daarin is een restje regen blijven staan. Het mengde zich met fijnstof, dat, voor zover van natuurlijke aard – wie zal het zeggen, misschien gecomposteerde stuifmeelkorrels – voor een vruchtbare voedingsbodem heeft gezorgd. De buien van vorige maand hebben de muurvaren goed gedaan, hij staat er fris en fruitig bij, klaar om nieuwe sporen te ontwikkelen, het minuscule, zeer avontuurlijke zaad van varenplanten. Het experiment zal vaak genoeg niet slagen, maar is altijd het proberen waard. Ook op plekken die in eerste instantie succes in de weg lijken te staan. Zoals een stuk metaal. Hoe kom je een lange hete zomer door? De sporen van het antwoord op die vraag zijn nog aanwezig: een paar varenblaadjes, zilvergrijs verkleurd, kleven aan het metaal rondom het levensgaatje. De plant moet verdord zijn geweest, op de wortels na dan. Daar zijn de laatste vleugjes energie naartoe gestuurd. Superefficiënt inspelen op de omstandigheden, planten zijn er ijzersterk in. De muurvaren is dit jaar de glorieuze winnaar van de verkiezing ‘de sterkste plant van Zutphen’. Wat een spektakel! Een leuk evenement om ook in andere steden en dorpen te organiseren.

sander grootendorst © 2019 
column in Achterhoeks Nieuws 27 feb 2019

donderdag 7 februari 2019

Een leegte in het uitzicht

Ze stonden er gedrieën als natuurlijke tegenhangers van het trio metallieke vogelverschrikkende windturbines een eindje noordelijker op bedrijventerrein c.q. woonwijk De Mars in Zutphen. Onderdeel van het gezicht op de stad. Een herinnering bovendien aan het geboomte van het Coenenspark, dat ooit aan de IJsselzijde van het station lag. Lopend langs de rivier werden we vandaag opgeschrikt door het naargeestige geluid van kettinggezaag. En toen het gekraak van een vallende boom. Er was een sieraad aan het stadslandschap onttrokken. Er bleef een leegte in het uitzicht over.



sander grootendorst  © 2018

maandag 4 februari 2019

65 jaar na dato opnieuw een feest van de poëzie



Merijn Schipper, hoofdredacteur van Poëzietijdschrift Awater, was zondagmiddag in de Zutphense bibliotheek een van de veertien voorlezers van vier of meer gedichten uit de beroemde verzamelbundel 'Nieuwe griffels, schone leien', samengesteld in 1954 door Paul Rodenko, die in Zutphen woonde. Met die, ongekend succesvolle, bundel wierp Rodenko een steen in de poel van gezapigheid zoals de poëzie in die periode door velen werd ervaren. 65 jaar na dato werd het voorlezen ervan een waar feest van de poëzie. Kleinschalig, maar groots. De voordrachten klonken stuk voor stuk even bevlogen, de gedichten daardoor als nieuw. Willemijn Meijborg, een kleindochter van Paul Rodenko las diens korte gedicht 'Bommen' voor. Dat maakte de middag compleet.

woensdag 30 januari 2019

Sneeuw, mens, dier



De sneeuwdeken die over het landschap ligt terwijl ik dit schrijf, brengt stad en platteland nader tot elkaar, doet grenzen vervagen. Ook heden en verleden worden verbonden: in het park achter de middelbare scholen bekogelen jongens elkaar met sneeuwballen zoals jongens dat in de zestiende eeuw al deden.
En zoals ik dat, korter geleden, deed met mijn inmiddels uit het oog verloren schoolkameraden in een andere stad, ver weg van hier. 
Vandaag voelt het dichtbij. Ik zou de jongens bijna toeroepen: Hé Johan! Hé Johnny! Hé Cock! Maar ik denk niet dat er tegenwoordig nog jongens zijn die Cock heten.
Een man en een hond komen aangewandeld en een van de schoolkameraden, tweedeklassers, schat ik, roept: Even stoppen met gooien! Zodra man en hond zijn gepasseerd, wordt het sneeuwbalspel voortgezet. In het groepje zit blijkbaar een scholier die over natuurlijk leiderschap beschikt, denk ik bij mezelf. Voorbeeldig.
De man beweegt zich behoedzaam over de platgetrapte sneeuw, de aangelijnde hond wil liever snel. In deze weersomstandigheden maakt de hond de indruk de leider te zijn. De natuurlijke leider, wel te verstaan, want de man vindt het zo te zien oké.
Hij groet de jongens vrolijk en ze moeten allemaal lachen om de niet zo voorbeeldige viervoeter. Wanneer honden sneeuw zien, zijn ze niet meer te houden. Zelfs overdreven brave schoothondjes vergeten dat ze in wezen extreem zijn gedomesticeerd. De sneeuw brengt de wolf in hen naar buiten.
In mijn stadstuintje – de kleine omvang verraadt dat dit niet het buitengebied is, ondanks het verhullende sneeuwtapijt – duikt een ander zoogdier op, een bosmuis. Ze komt op het vogelvoer af dat ik op het sneeuwvrij geveegde pad heb gestrooid en vreest de strengheid van de winter niet, daar maakt ze juist handig gebruik van: bij onraad vlucht ze de sneeuwlaag in, ogenblikkelijk onzichtbaar, als in een muizenhol. Ook muizen zijn sneeuwliefhebbers. Hun vijanden, de uilen, minder. In sneeuwrijke winters hebben kerkuilen het zwaar omdat ze hun belangrijkste prooidier, de veldmuis, nergens kunnen zien of horen. Sneeuw dempt alles.
Een groepje mezen dient zich aan, ook al vrolijk, niet vanwege de sneeuw, maar vanwege het voer, vermoed ik – al is dat wellicht te menselijk gedacht. Anderzijds, zoveel verschilt ons dna nou ook weer niet van vogel-dna. Zo hebben koolmezen net als wij elk hun eigen karakter. Dat is onderzocht door biologen. Je hebt de verlegen koolmees, de brutale, de slimme… 
Ze zijn met z’n vijven. Haantje de voorste neemt een duik naar de voedertafel. Is het de verlegen koolmees? (Verlegenheid sluit dapperheid niet uit). Of de slimme, die doorheeft dat er niet héél veel zonnepitten liggen? Ik houd het toch op de brutale.
En zit er een natuurlijke leider in het groepje, een primus inter pares? Het valt uit hun speelse gedrag vandaag niet op te maken.
Eentje heeft er met z’n snavel diep in de sneeuw gezeten, die is helemaal wit. Wil hij een sneeuwgevecht aangaan met z’n kameraden?
O nee, dat is echt al te menselijk gedacht… Maar het gaat vanzelf. Sneeuw brengt mens en dier nader tot elkaar.

© 2019
Sander Grootendorst, Contact/ Achterhoek Nieuws