zondag 30 december 2018

Concertgangers

Nabij de IJsselsalon, waar zondagmorgen zojuist het eerste ‘wandelconcert’ heeft plaatsgevonden, vertelt Jurn Buisman het bezoek – muziekliefhebbers uit het hele land – over de geschiedenis van Zutphen. 
Het is een van de zes groepen die vandaag op drie locaties komt luisteren naar miniconcerten. De afstand ertussen leggen ze wandelend af. De formule slaat aan, geen wonder, want de kwaliteit van de muziek is zonder uitzondering hoog. En Zutphen een interessante stad... Al laat de bereikbaarheid ervan soms te wensen over: pianist Artem Belogurov en celliste Octavie Dostaler Lalonde arriveren een paar minuten te laat op hun eigen concert. De fancy Swiss train (zei Belogurov) trein had vertraging. De muziek niet: zonder noemenswaardige voorbereiding en vervolgens ook zonder noemenswaardige pauzes speelt het jonge duo uiteenlopende stukken waaronder subliem ingetogen Après une rève van Fauré en vol overgave Debussy’s avontuurlijke cellosonate.
In Dat Bolwerck lijkt Rémy Baudet één geheel te vormen met zijn viool (in muzikale zin dan), zo soepel en energiek klinkt een stuk van de 18e-eeuwse componist Veracini, begeleid door Pieter Jan Belder op klavecimbel (‘basso continuo’). De klavecimbel oogst niet alleen om zijn ferme klanken, maar eveneens om zijn fraaie uiterlijk bewondering van het publiek, dat het oog ook wat gunt.
Op een fortepiano uit 1785 speelt Riko Fukuda in het Geelvinck Muziek Museum – waarvan Buisman zakelijk leider is – eerst een stuk van Haydn, waarna ze voor Robert Schumann en Chopin overstapt op een fortepiano uit 1845. Zo moeten Haydn, Schumann en Chopin dus in hun tijd geklonken hebben. Directer, meer to the point (en juist daardoor met voelbaar meer emotionele lading) dan op moderne piano's, zou je misschien kunnen zeggen. Passend bij de culturele periode waarin ze leefden – de Romantiek. Op Steinways en andere moderne instrumenten klinken hun composities overigens nog altijd prachtig, maar tijdens het luisteren naar Fukuda's intense uitvoering van de tweede Romance uit opus 28, raak ik er toch al snel van overtuigd dat ik dat stuk op een moderne piano nooit zo subtiel mooi heb horen spelen. 

(Tijdens de wandeling vernemen de concertgangers met enige regelmaat vuurwerkgeknal, gids Buisman weet zich er  af en toe door overstemd. Vrijwel niemand kijkt op of om of zegt er iets van, wat de indruk dat het afsteken van vuurwerk een vorm van hedendaags absurdisme is alleen maar versterkt).

sander grootendorst © 2018

donderdag 27 december 2018

Duizendblad in het Groote Veld (in memoriam Jenny Polman)


Vandaag een wandeling gemaakt in natuurgebied Het Groote Veld, met dezelfde hond als in de column, die deze week is gepubliceerd in Contact/Achterhoeks Nieuws. En we kwamen dezelfde plant tegen, één solitair exemplaar. Onderstaande column schreef ik voorafgaand aan de mooie en bijzondere uitvaartbijeenkomst afgelopen zaterdag. Voordat ze naar de stad Lochem verhuisde, woonde journalist Jenny Polman (1957-2018) vele jaren in het Groote Veld. 

Groote Veld, Warnsveld, 27 dec. 2018

Duizendblad

Op de rouwkaart staat de vraag of de bezoekers bij de uitvaart in Haarlo een bloem willen meenemen. 'Jenny hield veel van de natuur.' Met z'n allen kunnen we een mooi veldboeket samenstellen, is het idee.

Tijd voor een wandeling met de hond. Die maakt me door haar niet aflatend gesnuffel constant attent op wat er plaatsvindt op de grond. Ze kijkt ook wel omhoog, om zich heen, maar meestal met als doel de aantrekkelijke bodemgeuren van verder weg op te snuiven, waar ze mij vervolgens poogt naartoe te trekken.
Het is december en er bloeien nog veel planten. Het voelt bepaald niet winters buiten, eerder lente-achtig. Drie jaar geleden stonden langs de Martinetsingel in Zutphen narcissen te bloeien. In de krant kon ik dankzij Jenny melden dat dat ook in Lochem het geval was: in de berm van de Zutphenseweg, om de hoek van waar zij woonde.
Nu zie ik ze niet, wel madeliefjes, die van oudsher het hele jaar door bloeien, ook al toen nog niemand het over klimaatverandering had. Achter theater Hanzehof bloeien enkele exemplaren van het duizendblad, die houden het normaliter minder lang vol. Ze zijn zeer algemeen, de natuur kan er vast wel eentje missen, zeker als hij voor Jenny is. Ik houd de pluim met witte bloempjes bij mijn neus – soort automatisme – en constateer dat hij best lekker ruikt, best sterk ook. De hond haalt háár neus ervoor op, deze geuren boeien haar niet.
De blaadjes van het duizendblad zijn driedubbel geveerd, heel verfijnd. Sinds mensenheugenis worden de soort geneeskrachtige eigenschappen toegedicht. Je kunt er thee van zetten. Helpt bij verkoudheid en griep.
Bestond er maar iets zo algemeens en makkelijks tegen ernstige ziektes waaraan mensen – veel te jong nog – overlijden. Jenny Polman werd eenenzestig jaar.
'Mens en natuur' is het thema van mijn vierwekelijkse bijdrage aan deze rubriek. Die twee woorden combinerend met de streek waarin wij ons bevinden, de Achterhoek, kom je al snel op de naam Jenny Polman. Jarenlang schreef ze voor dagblad de Stentor (en voorgangers) tal van artikelen over plant, dier en landschap in Lochem, Zutphen en verre omstreken. Ze was mede-bedenker van de veelgelezen pagina 'Langs Berkel en IJssel', waarin wij getweeën de rubriek 'Waarnemingen' verzorgden. Aanvankelijk vooral gedacht als fenologisch meldpunt, dat wil zeggen: lezers konden doorgeven wanneer ze voor het eerst in de lente een tjiftjaf hadden horen zingen, de eerste citroenvlinder hadden ontdekt, of in de herfst de laatste. De waarneming van bloeiend duizendblad in december had erin gepast.
Het werd vanzelf een rubriek met alle mogelijke natuurwaarnemingen, waarin met enige regelmaat ook de bezorgdheid om de natuur, waarmee het niet zo goed gaat, werd geuit. Zoals de lezersvraag: 'Waarom zie ik toch nergens merels?' Vermoedelijk was het aantal door een ernstige virusziekte gedecimeerd.
Met de geplukte bloem in mijn hand loop ik via een omweg met de kwiek kwispelende hond terug naar huis. Onderweg hoor ik onverwachts een merel zingen. Alsof hij al doorheeft dat tegen eind december de dagen weer gaan lengen.
Maar het lijkt ook net of hij deze morgen zijn lied speciaal voor Jenny zingt.


© 2018 sandergrootendorst / Achterhoeks Nieuws
Derde aflevering van een reeks over mens & natuur, natuur & mens


Rode variant van duizendblad, Eefde, sep. 2018 



zondag 2 december 2018

Zilverwitte reigers

Ontelbaar veel uren vogels tellen zitten er in de nieuwe Vogelatlas van Nederland, die afgelopen zaterdag is gepresenteerd. Al die gegevens tezamen leiden tot de conclusie dat de vogelbevolking in enkele decennia sterk is veranderd. Veel sterker dan in de decennia en de eeuwen daarvoor, toen geleidelijkheid troef was.
Hetzelfde geldt trouwens voor de plantenbevolking, ik ben benieuwd naar de nieuwe plantenatlas voor Oost-Gelderland, die sinds een tijdje in de maak is. De vorige is van 2001. Het creëren van standaardwerken vergt tijd. Omdat flora en fauna zich zullen blijven ontwikkelen, moeten de samenstellers meteen na voltooiing van zo'n werk aan de volgende uitgave beginnen.
Het is een beetje een Sisyphusarbeid en ik kan me voorstellen dat die waarnemers zich af en toe de vraag stellen: Waar ben ik eigenlijk mee bezig? Helemaal als je bedenkt dat de conclusies, die zij op detailniveau trekken, door iedereen die ook maar enigszins in de natuur is geïnteresseerd ook zo getrokken kan worden.
Want ze vallen nogal op in het landschap, die witte reigers. Grote zilverreigers heten ze, maar 'wit' dekt de lading beter. Ik zag ze voor het eerst in de Povlakte, in 1991. Daar was ik naartoe in opdracht van dagblad Graafschapbode – het was heerlijk voor een krant met zo'n prachtige geuzennaam te mogen werken. In het kader van de landbouwtentoonstelling Agrado ('do' zijn de eerste twee letters van Doetinchem) bracht de krant jaarlijks een bijlage uit. Aan mij de taak om langs de Po een agrariër te interviewen en voor een artikel in die bijlage een vergelijking te maken tussen het Italiaanse en het Achterhoeks boerenleven. Toegegeven, de opdracht was vergezocht, in feite liftten we mee op een reis die door de VVV van de Povlakte aan Europese journalisten was aangeboden. De Graafschapbode was niet de enige, ik trok een week lang op met verslaggevers van onder meer Trouw, Het Parool en de Haagse Courant. Ik herinner me een college, in het Italiaans, over de plaatselijke visbevolking. We hoorden in onze koptelefoons een sympathieke vertaalster verwoede pogingen doen het verhaal aan ons over te brengen. De namen van de vissen had ze allemaal fout, we proestten het uit van het lachen.
Onderweg naar de startplaats voor een boottocht ontwaarde ik een zilverreiger. L'airone bianco, sprak de vertaalster, die zag dat ik ernaar stond te kijken. Het betekent: witte reiger. Er streek er nóg een neer.
Terug in de Achterhoek kwam ik weer overal de vertrouwde blauwe reigers tegen, die, gelet op hun verenkleed, beter grijze reigers hadden kunnen heten.
Mijn eerste Nederlandse 'witte' vloog enkele jaren later op langs een sloot tussen Vorden en Zutphen. Daarna werden ze snel algemener.
Vooruitlopend op de aanschaf van de Vogelatlas kocht ik een ansichtkaart met in grote letters HOLLAND erop. Op de achtergrond wilgen en molens. Op de voorgrond een typisch Nederlandse vogel: de grote zilverreiger, migrant uit Zuid-Europa die inmiddels ook Achterhoekse vis blieft.
Fijn dat ze met zo velen zijn, elke keer dat ik er een waarneem is een herinnering aan een mooie reis, lang geleden, naar hun land van herkomst.

Tweede aflevering column Contact/Achterhoek Nieuws

sander grootendorst © 2018