zondag 30 december 2018

Concertgangers

Nabij de IJsselsalon, waar zondagmorgen zojuist het eerste ‘wandelconcert’ heeft plaatsgevonden, vertelt Jurn Buisman het bezoek – muziekliefhebbers uit het hele land – over de geschiedenis van Zutphen. 
Het is een van de zes groepen die vandaag op drie locaties komt luisteren naar miniconcerten. De afstand ertussen leggen ze wandelend af. De formule slaat aan, geen wonder, want de kwaliteit van de muziek is zonder uitzondering hoog. En Zutphen een interessante stad... Al laat de bereikbaarheid ervan soms te wensen over: pianist Artem Belogurov en celliste Octavie Dostaler Lalonde arriveren een paar minuten te laat op hun eigen concert. De fancy Swiss train (zei Belogurov) trein had vertraging. De muziek niet: zonder noemenswaardige voorbereiding en vervolgens ook zonder noemenswaardige pauzes speelt het jonge duo uiteenlopende stukken waaronder subliem ingetogen Après une rève van Fauré en vol overgave Debussy’s avontuurlijke cellosonate.
In Dat Bolwerck lijkt Rémy Baudet één geheel te vormen met zijn viool (in muzikale zin dan), zo soepel en energiek klinkt een stuk van de 18e-eeuwse componist Veracini, begeleid door Pieter Jan Belder op klavecimbel (‘basso continuo’). De klavecimbel oogst niet alleen om zijn ferme klanken, maar eveneens om zijn fraaie uiterlijk bewondering van het publiek, dat het oog ook wat gunt.
Op een fortepiano uit 1785 speelt Riko Fukuda in het Geelvinck Muziek Museum – waarvan Buisman zakelijk leider is – eerst een stuk van Haydn, waarna ze voor Robert Schumann en Chopin overstapt op een fortepiano uit 1845. Zo moeten Haydn, Schumann en Chopin dus in hun tijd geklonken hebben. Directer, meer to the point (en juist daardoor met voelbaar meer emotionele lading) dan op moderne piano's, zou je misschien kunnen zeggen. Passend bij de culturele periode waarin ze leefden – de Romantiek. Op Steinways en andere moderne instrumenten klinken hun composities overigens nog altijd prachtig, maar tijdens het luisteren naar Fukuda's intense uitvoering van de tweede Romance uit opus 28, raak ik er toch al snel van overtuigd dat ik dat stuk op een moderne piano nooit zo subtiel mooi heb horen spelen. 

(Tijdens de wandeling vernemen de concertgangers met enige regelmaat vuurwerkgeknal, gids Buisman weet zich er  af en toe door overstemd. Vrijwel niemand kijkt op of om of zegt er iets van, wat de indruk dat het afsteken van vuurwerk een vorm van hedendaags absurdisme is alleen maar versterkt).

sander grootendorst © 2018

donderdag 27 december 2018

Duizendblad in het Groote Veld (in memoriam Jenny Polman)


Vandaag een wandeling gemaakt in natuurgebied Het Groote Veld, met dezelfde hond als in de column, die deze week is gepubliceerd in Contact/Achterhoeks Nieuws. En we kwamen dezelfde plant tegen, één solitair exemplaar. Onderstaande column schreef ik voorafgaand aan de mooie en bijzondere uitvaartbijeenkomst afgelopen zaterdag. Voordat ze naar de stad Lochem verhuisde, woonde journalist Jenny Polman (1957-2018) vele jaren in het Groote Veld. 

Groote Veld, Warnsveld, 27 dec. 2018

Duizendblad

Op de rouwkaart staat de vraag of de bezoekers bij de uitvaart in Haarlo een bloem willen meenemen. 'Jenny hield veel van de natuur.' Met z'n allen kunnen we een mooi veldboeket samenstellen, is het idee.

Tijd voor een wandeling met de hond. Die maakt me door haar niet aflatend gesnuffel constant attent op wat er plaatsvindt op de grond. Ze kijkt ook wel omhoog, om zich heen, maar meestal met als doel de aantrekkelijke bodemgeuren van verder weg op te snuiven, waar ze mij vervolgens poogt naartoe te trekken.
Het is december en er bloeien nog veel planten. Het voelt bepaald niet winters buiten, eerder lente-achtig. Drie jaar geleden stonden langs de Martinetsingel in Zutphen narcissen te bloeien. In de krant kon ik dankzij Jenny melden dat dat ook in Lochem het geval was: in de berm van de Zutphenseweg, om de hoek van waar zij woonde.
Nu zie ik ze niet, wel madeliefjes, die van oudsher het hele jaar door bloeien, ook al toen nog niemand het over klimaatverandering had. Achter theater Hanzehof bloeien enkele exemplaren van het duizendblad, die houden het normaliter minder lang vol. Ze zijn zeer algemeen, de natuur kan er vast wel eentje missen, zeker als hij voor Jenny is. Ik houd de pluim met witte bloempjes bij mijn neus – soort automatisme – en constateer dat hij best lekker ruikt, best sterk ook. De hond haalt háár neus ervoor op, deze geuren boeien haar niet.
De blaadjes van het duizendblad zijn driedubbel geveerd, heel verfijnd. Sinds mensenheugenis worden de soort geneeskrachtige eigenschappen toegedicht. Je kunt er thee van zetten. Helpt bij verkoudheid en griep.
Bestond er maar iets zo algemeens en makkelijks tegen ernstige ziektes waaraan mensen – veel te jong nog – overlijden. Jenny Polman werd eenenzestig jaar.
'Mens en natuur' is het thema van mijn vierwekelijkse bijdrage aan deze rubriek. Die twee woorden combinerend met de streek waarin wij ons bevinden, de Achterhoek, kom je al snel op de naam Jenny Polman. Jarenlang schreef ze voor dagblad de Stentor (en voorgangers) tal van artikelen over plant, dier en landschap in Lochem, Zutphen en verre omstreken. Ze was mede-bedenker van de veelgelezen pagina 'Langs Berkel en IJssel', waarin wij getweeën de rubriek 'Waarnemingen' verzorgden. Aanvankelijk vooral gedacht als fenologisch meldpunt, dat wil zeggen: lezers konden doorgeven wanneer ze voor het eerst in de lente een tjiftjaf hadden horen zingen, de eerste citroenvlinder hadden ontdekt, of in de herfst de laatste. De waarneming van bloeiend duizendblad in december had erin gepast.
Het werd vanzelf een rubriek met alle mogelijke natuurwaarnemingen, waarin met enige regelmaat ook de bezorgdheid om de natuur, waarmee het niet zo goed gaat, werd geuit. Zoals de lezersvraag: 'Waarom zie ik toch nergens merels?' Vermoedelijk was het aantal door een ernstige virusziekte gedecimeerd.
Met de geplukte bloem in mijn hand loop ik via een omweg met de kwiek kwispelende hond terug naar huis. Onderweg hoor ik onverwachts een merel zingen. Alsof hij al doorheeft dat tegen eind december de dagen weer gaan lengen.
Maar het lijkt ook net of hij deze morgen zijn lied speciaal voor Jenny zingt.


© 2018 sandergrootendorst / Achterhoeks Nieuws
Derde aflevering van een reeks over mens & natuur, natuur & mens


Rode variant van duizendblad, Eefde, sep. 2018 



zondag 2 december 2018

Zilverwitte reigers

Ontelbaar veel uren vogels tellen zitten er in de nieuwe Vogelatlas van Nederland, die afgelopen zaterdag is gepresenteerd. Al die gegevens tezamen leiden tot de conclusie dat de vogelbevolking in enkele decennia sterk is veranderd. Veel sterker dan in de decennia en de eeuwen daarvoor, toen geleidelijkheid troef was.
Hetzelfde geldt trouwens voor de plantenbevolking, ik ben benieuwd naar de nieuwe plantenatlas voor Oost-Gelderland, die sinds een tijdje in de maak is. De vorige is van 2001. Het creëren van standaardwerken vergt tijd. Omdat flora en fauna zich zullen blijven ontwikkelen, moeten de samenstellers meteen na voltooiing van zo'n werk aan de volgende uitgave beginnen.
Het is een beetje een Sisyphusarbeid en ik kan me voorstellen dat die waarnemers zich af en toe de vraag stellen: Waar ben ik eigenlijk mee bezig? Helemaal als je bedenkt dat de conclusies, die zij op detailniveau trekken, door iedereen die ook maar enigszins in de natuur is geïnteresseerd ook zo getrokken kan worden.
Want ze vallen nogal op in het landschap, die witte reigers. Grote zilverreigers heten ze, maar 'wit' dekt de lading beter. Ik zag ze voor het eerst in de Povlakte, in 1991. Daar was ik naartoe in opdracht van dagblad Graafschapbode – het was heerlijk voor een krant met zo'n prachtige geuzennaam te mogen werken. In het kader van de landbouwtentoonstelling Agrado ('do' zijn de eerste twee letters van Doetinchem) bracht de krant jaarlijks een bijlage uit. Aan mij de taak om langs de Po een agrariër te interviewen en voor een artikel in die bijlage een vergelijking te maken tussen het Italiaanse en het Achterhoeks boerenleven. Toegegeven, de opdracht was vergezocht, in feite liftten we mee op een reis die door de VVV van de Povlakte aan Europese journalisten was aangeboden. De Graafschapbode was niet de enige, ik trok een week lang op met verslaggevers van onder meer Trouw, Het Parool en de Haagse Courant. Ik herinner me een college, in het Italiaans, over de plaatselijke visbevolking. We hoorden in onze koptelefoons een sympathieke vertaalster verwoede pogingen doen het verhaal aan ons over te brengen. De namen van de vissen had ze allemaal fout, we proestten het uit van het lachen.
Onderweg naar de startplaats voor een boottocht ontwaarde ik een zilverreiger. L'airone bianco, sprak de vertaalster, die zag dat ik ernaar stond te kijken. Het betekent: witte reiger. Er streek er nóg een neer.
Terug in de Achterhoek kwam ik weer overal de vertrouwde blauwe reigers tegen, die, gelet op hun verenkleed, beter grijze reigers hadden kunnen heten.
Mijn eerste Nederlandse 'witte' vloog enkele jaren later op langs een sloot tussen Vorden en Zutphen. Daarna werden ze snel algemener.
Vooruitlopend op de aanschaf van de Vogelatlas kocht ik een ansichtkaart met in grote letters HOLLAND erop. Op de achtergrond wilgen en molens. Op de voorgrond een typisch Nederlandse vogel: de grote zilverreiger, migrant uit Zuid-Europa die inmiddels ook Achterhoekse vis blieft.
Fijn dat ze met zo velen zijn, elke keer dat ik er een waarneem is een herinnering aan een mooie reis, lang geleden, naar hun land van herkomst.

Tweede aflevering column Contact/Achterhoek Nieuws

sander grootendorst © 2018

vrijdag 2 november 2018

De Achterhoekse gaai





Vlaamse gaai was lang zijn officiële naam, nu alleen nog gaai. Zoals de Engelsen het op 'jay' houden. Maar ik ben niet de enige die dat 'Vlaamse' er graag nog bij zegt. Al zijn het – ik wandel in de buurt van Gelselaar – in wezen natuurlijk Achterhoekse gaaien die schreeuwerig boven mijn hoofd van tak naar tak vliegen. Om nog preciezer te zijn: Gelster gaaien.
Het staat niet vast waarom ze (vroeger dan) Vlaams werden genoemd. Mogelijk komt het doordat ze in het Oudfrans als 'le gai flammant' door het leven gingen: de gaai met de vlammende kleuren. Wat verbasterd werd tot 'Vlaams'. Ik zou trouwens eerder zeggen: opvallende kleuren. Grotendeels rozebruin en een brede zwarte streep tussen (witte) keel en wang, waardoor ze ons vriendelijk en een tikje clownesk lijken aan te kijken. Gaaien hebben een witte stuit, zwarte staart, en, subtiel contrast, een blauwe vleugelvlek die van dichtbij bekeken uit blauw-zwart gebandeerde veertjes blijkt te bestaan.
Jaren achtereen vond ik met regelmaat zulke veertjes in het bos en het park, ik raapte ze op en deed ze in een doosje. De laatste tijd stokt de verzameling, maar dat hoeft niets te betekenen, gaaien waren en zijn algemeen.
Toevallig kwam ik het doosje vorige week onder in een kast tegen. Meteen moest ik weer denken aan de Duitse dichter Günter Eich (1907-1972), die twee gedichten over de vlaamse gaai schreef waarin hij beide keren die veertjes benadrukte. Het eerste heet Die Häherfeder, de gaaienveer. Wij zeggen 'gaai', de Engelsen 'jay', de Duitsers Häh(er)': allemaal verwante pogingen om de roep van de gaai in mensentaal te vatten. De Duitsers voegen er een woordje aan toe: 'Eichelhäher' ist der Name – de eikelgaai. Misschien bracht de achternaam van de Duitse dichter hem nader tot deze vogel. Van eikels, waar ze verzot op zijn, leggen gaaien een wintervoorraad aan: niet bij elkaar, maar her en der verstopt. Een deel wordt nooit teruggevonden en ontkiemt. Onbedoeld zijn de gaaien de eiken behulpzaam.
Het is het begin van Eichs tweede gaaiengedicht (Tage mit Hähern), dat me sinds de middelbare school is bijgebleven: 'De vlaamse gaai werpt mij de blauwe veer niet toe,' vertaalden wij. Ik heb het gedicht zojuist herlezen, Eich bedoelt ermee te zeggen dat je de natuur nog zo mooi of spannend kunt vinden, dat je gefascineeerd kunt raken door vogels, vlinders, bomen of paddenstoeken, maar dat die bewondering niet wederzijds is. De natuur gaat haar gang zonder ons. De gaai neemt er geen enkele notie van dat ik zijn veertjes spaar. 'Ongezien ligt in de duisternis de veer vóór mijn schoen,' eindigt de dichter teleurgesteld.
Twee, dacht ik eerst, maar het zijn er vier, in deze Gelster eikenboom. Een kwartet krijsende vlaamse gaaien. Eentje heeft inderdaad een eikel in zijn of haar snavel, maar ik weet niet of de ruzie daarom draait.
Het gekibbel is in één klap afgelopen wanneer de vier er, als op commando, gezamenlijk vandoorgaan. Zonder de eikel, die stuitert op de grond. Maar met al hun blauwe veertjes.
© 2018 sander grootendorst
Eerste aflevering nieuwe column in Achterhoeks Nieuws/Contact.

maandag 22 oktober 2018

Vlugschrift


In haast, voordat de robots het helemaal hebben overgenomen, meld ik nog even hoeveel ik van je gehouden heb, mensheid.

© 2018

zondag 21 oktober 2018

Collage



















De herfst te water: een collage.
Democritus zou zeggen: dit bedoel ik nou.
Het toeval wint het uiteindelijk óók van de machine.
Het is niet na te bootsen, want precies daaraan ontsnapt het.
Hij werd verguisd – de herfst brengt hem rehabilitatie.




















© 2018

zaterdag 20 oktober 2018

Bladergazon



En nu maar hopen dat de bladblazer is wegbezuinigd! Dat hij meer vrije tijd heeft gekregen en op dat bankje kan gaan zitten om de schoonheid van de herfst te aanschouwen. En als het gaat waaien: hoe de wind met de bladeren speelt. Die merkwaardige menselijke gewoonte van zich af te schudden om in te grijpen in omstandigheden als dat helemaal niet nodig is.

© 2018


vrijdag 12 oktober 2018

sabelsprinkhaan



Eerst op mijn meefietsende hand, toen op mijn meefietsende mouw: een jonge grote groene sabelsprinkhaan op weg naar de supermarkt waar ik boodschappen ging doen.
Het was 12 oktober, 18.30 uur, het vest was te warm bij een graadje of twintig. Misschien was de sprinkhaan op zoek naar de herfst die maar niet wil intreden.
En die je ook niet in de winkel kunt kopen.

© 2018

zaterdag 6 oktober 2018

Oktoberhommel



Na 66 afleveringen houdt de wekelijkse column Natuurlijk Sander in regionaal dagblad De Stentor vandaag ietwat abrupt op te bestaan. Maar Sander gaat natuurlijk door. Onder meer met een vierwekelijkse column over 'natuur & mens' in weekkrant Achterhoek Nieuws/Contact. En verder, zoals al zijn hele leven, met aan dat thema gerelateerde poëzie, artikelen, lezingen, voordrachten et cetera. Het heeft geen zin om op te houden. Hij ook niet.

© 2018





woensdag 5 september 2018

De zon en de maan




(Heelblaadjes)

sandergrootendorst @2018

vier veertjes



eenden ruien, maar huismussen ook. getuige dit verenkwartet. 'ruien' is verwant aan 'rooien': het opschonen van bosschages. in de nazomer schonen vogels hun verenkleed op.

sandergrootendorst
© 2018

vrijdag 24 augustus 2018

Landingshalm


Een vlieg benut een halm om te landen en meteen een doorstart te maken, omringd door het wapperende, ruisende zonlicht waar hij pardoes, à la Icarus, in tuimelt.

© sander grootendorst, amsterdam 2018

zaterdag 11 augustus 2018

Uitzending gemist

William Shakespeare

Sluiter, Shakespeare en de leeuwerik



Preken, zei predikant Willem Sluiter, is »maer voor soo een korte tijd, van soo weynige gehoord, en [wordt] ten meerendeele vergeten«. Daarom ging hij dichten en dat hielp. Zijn zeventiende-eeuwse verzen werden tot ver in de negentiende eeuw nog gelezen, en gezongen (zoals je dat vroeger met verzen deed).
Vandaag was ik »voor soo een korte tijd« op Radio 1 in het programma De Taalstaat van Frits Spits om iets over het leeuwerikgedicht te vertellen dat woensdag in de uitkijktoren op de Needse Berg is onthuld. Het verwijst naar Willem Sluiter – in 1627 in Neede geboren – en naar de veldleeuwerik, die hij bezong. Een vogel die toen nog volop in het landschap aanwezig was.
Veldleeuwerik
»Van soo weynige gehoord« klopt niet, De Taalstaat heeft aardig wat luisteraars in het hele land. Dat blijkt ook uit de reacties die ik kreeg. »Ten meerendeele vergeten« klopt allicht weer wel. Elk volgend interessant onderwerp onder de vele die in twee uur Taalstaat voorbijkomen, laat het vorige op z’n minst wat wegzakken. Uiteindelijk is vergetelheid ons aller lot. Maar misschien kan de dichtkunst ons daar dan toch enigszins voor behoeden. Shakespeares beroemde achttiende sonnet, het liefdesgedicht dat begint met de regel Shall I compare thee to a Summer’s Day? sluit af met de woorden So long as men can breathe, or eyes can see,/ So long lives this, and this gives life to theeZo lang er mensen zijn die kunnen lezen, lezen ze over jou. De geliefde tot wie Shakespeare zich in zijn sonnet richtte, leeft voort dankzij de poëzie. Al weten we dan niet met honderd procent zekerheid om welke persoon het gaat… Maar dat zijn peanuts in verhouding tot het statement. Het gedicht zelf leeft immers voort. En Shakespeare. Als het ware. Willem Sluiter kon destijds degenen die niet op de preek verschenen waren of aan hen die hem nog eens wilden beluisteren niet verwijzen naar Uitzending gemist. Frits Spits kan dat anno 2018 wel. Toch verwijst hij dan nog altijd niet naar het hele gedicht, ik las op de radio in zo korte tijd alleen de laatste twee van de zes vierregelige strofen voor. Voor het hele gedicht moet je naar de observatietoren op de Needse Berg. Daar hoor je dan ook de leeuwerik zingen. Hij is (vrijwel) uit het landschap verdwenen, maar dichters houden hem in leven.

Like to the lark at break of day arising 
From sullen earth, sings hymns at heaven's gate.


sander grootendorst © 2018





donderdag 9 augustus 2018

Palet



Een kunstenaar uit de Gouden Eeuw bezocht Zutphen vanavond en schilderde een lommerrijk deel van de stad vlak voordat een storm zou losbarsten. Niet de wolken, niet de lucht, niet de loofbomen en niet het gras zijn met hun tijd meegegaan. Wel de schilder. Hij gebruikte niet zijn kwast, wel zijn mobiele telefoon.

sander grootendorst © 2018

Magische jasjes: another story

De beste liedjes

en de beste gedichten en verhalen
de beste kunst in het algemeen

zijn misschien die liedjes
en gedichten en verhalen en kunst
in het algemeen

waarvan je denkt: dit heb ik al minstens duizend keer gehoord of gezien
terwijl ze tegelijkertijd gloednieuw klinken of ogen –
nee: zijn.

Tot in de 19e eeuw ging het in de muziek, de verhalen en de kunst in het algemeen niet zozeer om de originaliteit als wel om de kwaliteit. Kwaliteit als een soort diepere vorm van nieuw.
Daar valt wel wat voor te zeggen. 

Dit nummer heet Another Story,
het komt van de recentste plaat van The Essex Green.
Another story: eigenlijk is het juist hetzelfde verhaal. Maar dan toch weer net even anders verteld. Daardoor als nieuw – nee: nieuw.
Zoals in de klassieke oudheid, toen schrijvers de eeuwenoude mythologische verhalen steeds in een nieuw jasje goten.
In magische jasjes. 

© 

woensdag 8 augustus 2018

Luister Sluiter Leeuwerik


Dichter-predikant Willem Sluiter werd in 1627 geboren in Neede. Hij schreef een gedicht over de leeuwerik. Vier eeuwen later mocht ik er ook een schrijven, bij wijze van groet aan Sluiter en aan de veldleeuwerik, die hij hier nog zal hebben horen zingen. De poëzie houdt de herinnering aan beiden levend. 'And this gives life to thee' – om een bijna-tijdgenoot van Sluiter te citeren.
Met dank aan Arend Heideman.

dinsdag 7 augustus 2018

Hoe verder?


'Hoe verder?' – Een gedicht van Huub van der Lubbe, dat hij voordroeg op 4 augustus 2018 tijdens poëziefestival Het Tuinfeest in Deventer. Zonder band, zonder De Dijk, zonder muziek, woorden als zodanig. Het deed me denken aan wat Kurt Cobain, gevierd popartiest, in een interview ooit antwoordde op de vraag wat hij het liefst zou willen zijn. 'Een dichter,' zei hij.

sander grootendorst © 2018

donderdag 2 augustus 2018

Padje




Graag had ik wat extra water gehad, de
hitte onttrekt al het vocht uit mijn badje.
Wees zuinig met water voor uzelf,
gun mij ook een stroompje, uw padje.


sander grootendorst, © 2018


donderdag 12 juli 2018

universum



De zon voelt zich als een spin in het web. De spin is de microkosmonaut in het weefsel van haar alomvattende gedachten.

sander grootendorst © 2018

maandag 9 juli 2018

haagwinde, dagpauwoog


hoe mooi hij of zij er ook bijzit, in het witte licht van een diepe bloem, de vlinder is geen poseur. niets is gecomponeerd, dit is het.



© sander grootendorst 2018

zondag 1 juli 2018

maai me nou niet weg



Een schittering op een gele bloem. Mijn oog viel erop toen ik eraan voorbijfietste. Ik remde, keerde om en zag dat de zon een sint-jansvlinder deed glinsteren. Een nachtvlinder waarvan de naam niet klopt, want ze zijn overdag actief, zo bleek.
De vlinder nam nectar tot zich in een laatste plukje planten dat was blijven staan na rigoureuze maaiwerkzaamheden in de bermen langs het fietspad. Als het nou een doel had gehad, bijvoorbeeld hoog opgroeiend gewas verwijderen omdat het uitzicht van verkeersdeelnemers werd belemmerd; maar ik kon geen reden bedenken anders dan dat het maaien blijkbaar op de planning had gestaan. De weersomstandigheden, de vele hete dagen sinds begin mei, hebben het leven van plant en dier sterk beïnvloed, het tempo gewijzigd, maar voor de mens geldt helaas: planning is planning. En sommige maaiactiviteiten zijn zo overbodig dat ze alleen als werkverschaffingsproject kunnen worden verklaard.
De droogte van de laatste tijd maakt maaien extra zinloos, begroeiing houdt immers vocht beter vast en beschermt de grond tegen de zon. Overal waar werd gemaaid, is het nu dor. Verschroeide aarde.
Ook onder de beruchte vastgeketende meidoorns zijn alle planten fanatiek verwijderd. Waardoor de overgebleven struiken van dit absurdistische kunstwerk langs de provinciale weg rond Zutphen eveneens op een droogje zijn komen te staan. En ze hebben het al zo zwaar, na die aanval van de perenprachtkever. (De kevers springen slim in op de onnatuurlijke situatie waarin de meidoorns zich geplaatst weten. Het onnatuurlijke maakt kwetsbaar).
Ik kon ze bijna in één blik vangen: de sneue struiken en de sint-jansvlinder, voorlopig overlever van de menselijke maaiwoede.
Beide verschijnselen: een berm ontdoen van wilde planten én het zogenaamd kunstzinnig inperken van groeimogelijkheden van meidoorns zijn symptoom van hetzelfde fenomeen. De mens beschouwt zich als eigenaar van zijn omgeving, van elke vierkante millimeter die de aarde rijk is. Als eigenaar dus ook van alle bermen, struiken en planten. En dat eigendom wil hij onder controle houden, inperken, beknotten, vastketenen.
Hij‹ is grammaticaal juist, maar ook in ander opzicht correct. ›maai me nou niet weg‹, schreef een dichter, niet toevallig een vrouwelijke dichter. Bezit is erg mannelijk. Planning, alles willen beheersen, alles en iedereen korthouden – niet in de laatste plaats vrouwen – zijn eigenschappen van een patriarchale maatschappij. Ik denk ook niet dat een vrouw op het idee zou zijn gekomen dat we als samenleving zoiets naargeestigs nodig zouden hebben als geld.
Zou het door de introductie van de landbouw zo ver zijn gekomen? Grondbezit werd opeens van belang en daar begon de ellende. Eigenlijk gek, dat je grond zou kunnen bezitten. Net zo gek als dat je 'iemand' zou kunnen bezitten, als slaaf bijvoorbeeld. Of als vrouw.
Het wás een wijze vrouw die vorige week tegen mij zei: ›Niemand is van iemand.‹
En inderdaad, het was een mannelijke kunstenaar die bedacht dat je honderden meidoorns aan paaltjes kunt bevestigen, hij liet een modern symbool van slavernij vervaardigen. Dat ook nog eens 1,6 miljoen naargeestige euro's heeft gekost.
Ik zag vorig jaar langs het Twentekanaal een wanhopig koolwitje drinken van een op de grond liggende bloem. De maaiers hadden net hun klus geklaard, het maaisel was nog niet afgevoerd.
Even later kwamen ze eraan. Op een veel te groot uitgevallen machine natuurlijk. Twee mannen. 
Mannen maaien meer kapot dan je lief is.




sander grootendorst © 2018

vrijdag 22 juni 2018

rivier



De zevende Stentor-natuurvaartocht voerde de reizigers, 164 in getal, op de langste dag van het jaar van Deventer over de IJssel voorbij Bronkhorst en terug. Buienradar was ons gunstig gezind. Ik vertelde over de natuur onderweg en droeg gedichten voor (niet dit nieuwe, dat is van vandaag). 
Vanaf het water is alles anders, ook op de langste dag. We reden onder de brug in de A1 door, bezaaid met haastige auto's. Wij gingen stroomopwaarts elf kilometer per uur, stroomafwaarts achttien. Langzaam genoeg, snel genoeg. Ooit, in de Hanzetijd, was dat het tempo van leven. Economisch is het de Hanzesteden Doesburg, Zutphen en Deventer sindsdien nooit meer zo voor de wind gegaan.

Met dank aan rederij Celjo en dagblad De Stentor

sander grootendorst © 2018

woensdag 30 mei 2018

De koning van het landschap



Een kleine vos boven op de bloem van een braam. Met uitzicht op de omgeving; vinden vlinders altijd fijn. Weinig kleine vossen dit jaar tot nu toe. Misschien door de onverwacht ijzige maand maart. Zag er voordat die periode inging al wel eentje. Ze waren er mogelijk voorbarig van uitgegaan dat de winter voorbij was. En daarna is het lastig om nog te herstellen. Het zal deze of gene desalniettemin gelukt zijn om te paren en eitjes te leggen. Of zouden er toch kleine vossen zijn geweest die hun winterslaap tot na maart hebben weten op te rekken? Eenmaal wakker vallen ze niet meer zo gauw in slaap, dan zijn ze ten dode opgeschreven in de kou. 
Zag vandaag ook het eerste gamma-uiltje, een zomergast uit Midden- en Zuid-Europa. Die nachtvlinder heeft zich dan weer laten aanlokken door de onverwacht warme maand mei.

sander grootendorst © 2018

zondag 27 mei 2018

Petersons graspieper


Een foto gemaakt op 26 mei 2018. Een graspieper poseert op een hek. Ze broeden op een bedrijventerrein. Landbouwgebied is nauwelijks nog geschikt voor de natuur, die vlucht naar de stad. Een soort urbanisatie.
De vogel nam plaats alsof hij in Petersons Vogelgids had nagekeken hoe z'n familiegenoten daar zijn afgebeeld. Mijn moeder, die op 26 mei jarig zou zijn geweest, kocht niet lang na haar aankomst vanuit Indonesië in Nederland zo ongeveer van haar laatste geld Petersons Vogelgids. Ze wilde weten welke vogelsoorten ze alhier in park en veld zoal zag en hoorde. Geen rijstvogels meer. Wel graspiepers.

sander grootendorst © 2018


zaterdag 26 mei 2018

zondag 20 mei 2018

nu

ieders hart is vol van nu,
soms bewust soms on-
bewust van nu, maar nu
is zelf vol van verleden
terwijl nu zelf nooit meer
voorbijgaat want nu nu
verandert in niets anders
dan opnieuw nu en wordt
nooit meer nu. nu is óók
al toekomst maar nu weet
dat nu niet. vraag aan nu:
wie is nu? dan zegt nu: ik
ben wie ik ben, iedereen,
niemand en alles, eventjes,
altijd en nooit — en ooit,
ik ontsta, nee, ik moet nog 
ontstaan en ben al voltooid,
ik ben niets anders dan u.



sander grootendorst © 2018
(met dank aan mila mannink)

maandag 14 mei 2018

Designkever

Het aantal insecten neemt sterk af, meldt Natuurmonumenten. Hoeveel onderzoeksresultaten moeten er nog bekend worden voordat eindelijk de noodzakelijke ingrijpende maatregelen worden genomen? Er moet zo spoedig mogelijk een einde komen aan het buitenproportionele gebruik van gif in de landbouw. Dat gif krijgen we trouwens allemaal binnen in ons eten. En Nederlanders zullen hun eveneens buitenproportionele maaiwoede eindelijk eens moeten leren beteugelen.
Insecten zijn onvoorstelbaar interessant. En belangrijk. En mooi. Zoals deze rupsenaaskever, gisteren gefotografeerd in de omgeving van Eefde. Zijn schild lijkt wel van gelakt teakhout en het is net alsof daarop met wiskundig gevoel voor decoratie vier zwarte stippen zijn aangebracht.




sander grootendorst © 2018

vrijdag 11 mei 2018

Gorters Mei uit honderd kelen


In de tuin van Dat Bolwerck in Zutphen werd op 10 mei 2018 het gedicht Mei van Herman Gorter integraal ten gehore gebracht. De voortzetting van een traditie die acht jaar geleden in Utrecht begon.

© sander grootendorst



vrijdag 4 mei 2018

Het is ijzig mooi én het doet pijn

Slotconcert Bach Bridges



Het festival Bach Bridges beleefde donderdagavond zijn apotheose met een concert in Zutphens akoestisch onvolprezen Buitensociëteit. Het was een groots concert, maar het schuurde ook, deze anders dan andere interpretatie van (delen van) Bachs Matthäus Passion. Op hoog niveau uitgevoerd door het Orkest van de Achttiende Eeuw, vergezeld door het Nationaal Gemengd Jeugdkoor en het Nationaal Kinderkoor, onder de vanzelfsprekend-meesterlijke leiding van dirigent Iván Fischer. Vergezeld ook door het Zutphen Zingt Project Koor, dat, in tweeën gesplitst, vóór in de zaal, aan weerszijden, was opgesteld en meezong met een aantal koralen. Met in elk van de helften een zingende Merel: Merel Hubatka links, Merel Harkink rechts. De twee dragers van het project dat Zutphen een week lang in de ban had gehouden. Harkink als de onvermoeibare dirigent die het amateurkoor had klaargestoomd, Hubatka als drijvende kracht van het festival, samen met organisator Michael Gieler, altviolist bij het Concertgebouw en artistiek directeur van de stichting Music Bridges.
    De dirigent gaf het projectkoor telkens een seintje als het aan de beurt was: het stond, achter hem, als één man/vrouw op. Vanaf het balkon gezien had dat een bijzonder effect, het leek of de hele zaal opstond om mee te zingen. 
    Bach slaat bruggen, muziek slaat bruggen... De boodschap is duidelijk, het gaat om de verbindende kracht van muziek. Het was al te zien aan de samenstelling van het amateurkoor, waarvan enkele vluchtelingen deel uitmaakten. Ze wonen in het lokale asielzoekerscentrum. Voor de krant mocht ik een repetitie bijwonen en vernam dat slechts één van hen ooit van Bach had gehoord. Daar begon het, dat 'schurende' element, de cultuurshock. Weinig Zutphenaren hadden, anderzijds, ooit van de in de Arabische wereld beroemde Libanese zangeres Fayrouz gehoord. Bij de repetitie was het projectkoor een van haar liedjes aan het oefenen – in het Arabisch. Het stond in de Buitensociëteit niet op het programma; wel (weer iets héél anders) het gospelnummer Chain Song, een lied over slavernij, waarbij 'Zutphen Zingt' als waar gospelkoor meegalmde met zanger Jared Grant, die – ondanks de aanwezigheid om hem heen van zo'n ijzersterk orkest – zich slechts liet begeleiden door zijn eigen ritmisch meestampende voet.
    Weer iets héél anders – 'and now for something completely different': het Monty Python-motto was op dit concert in overtreffende trap van toepassing. De grote Bach wist zich bij herhaling onderbroken door muziek van volstrekt andere orde. Maar wel – voor zover door westerse oren te beoordelen – van even grote kwaliteit en uitgevoerd door net zulke ervaren en gepassioneerde musici als de leden van het Orkest van de Achttiende Eeuw.
    Na Jared Grant volgden nog de Syrische zangeres Waed Bouhassoun, begeleid door haar landgenoot Moslem Rahal (die de ney bespeelde, een soort fluit) en het trio Azize Afo (zang), Artyom Minasyan en Kalas Boudoyan (duduk). Duo en trio brachten wonderlijke, prachtige klaagzangen ten gehore. Azo, in opvallend felrood overhemd gekleed, is een Jezidi, lid van de geloofsgemeenschap die door IS deels werd uitgehongerd en uitgemoord. Zijn religie verenigt christelijke elementen met onder meer islamitische. Maar dat verenigende, verbindende, wordt in het genadeloze internationale hokjesdenken niet op prijs gesteld. Gelukkig is er de muziek. Azo droeg met grote intensiteit het lijden van zijn volk de buitensoos binnen. Net zo diep doorleefd als Bouhassoun het lot van de Syriërs bezong – we verstonden er geen woord van, maar we voelden de pijn van wat ze vertelde.
En Johann Sebastian Bach? Die moest wel even een tandje bijzetten, een uitvoering van de Matthäus op de automatische piloot zat er dit keer niet in. Gelukkig was hij in de goede handen van het Orkest van de Achttiende Eeuw. Zo kon hij het ook met vertrouwen opnemen tegen het ijzig mooie Agnus Dei uit het Requiem van de Armeense componist Tigran Mansurian (2011), een herinnering aan de genocide op diens volk. 
    Trouwens, Bach schuurt zelf óók al. Hij had zich destijds kunnen beperken tot een medley met als hoogtepunten het Erbarme Dich en Wir setzen uns in Tränen nieder. Maar hij bracht zijn Passion op flinke lengte door die composities te verbinden met gezongen en gezangzegde stukken. Het verhaal van Pasen, dat Bach ons vertelt, is óók tragisch, óók een klaagzang. Die gedeelde smart, het lijden van volkeren door de eeuwen heen, zat deze avond in alle ritmes, klanken en woorden, hoe extreem verschillend van nature ook. Het concert duurde twee uur, maar het leek veel langer.
    Als opmaat naar het slot werd onverwacht een toneelstuk opgevoerd: een deel van Peter Weiss' Die Ermittlung, over het Frankfurter Auschwitz-proces. Niet iets waar je op dat moment als publiek op zit te wachten, maar juist in dat opzicht sterk: het schuurde, alwéér, maar je besefte dat het moest.
    Helaas schuurde het ook op een verkeerde manier, want de acteurs verspraken zich nogal eens, waardoor dit onderdeel iets van een slecht gerepeteerd schoolcabaret kreeg. Dat kan niet de bedoeling zijn op een avond van verder allemaal perfect gespeelde en gezongen noten.
    Het laatste woord, en de laatste stem, was aan de tenor, de zingzegger, Mark Padmore. Een van de beste ter wereld. Hij verruilde Bach schijnbaar moeiteloos voor Maurice Ravel en zong een van diens Hebreeuwse melodieën, een 'kaddisj', Joods gebedlied. Perfecte verbinding tussen het (Midden-) Oosten en het westen, ideaal slot van een indrukwekkend concert dat nog lang in al zijn schoonheid zal blijven naschuren. 

Sander Grootendorst © 2018

zaterdag 21 april 2018

Tijdmachine


De oude Grieken hadden ruim eenentwintig eeuwen geleden al de beschikking over een hoogwaardige, gecompliceerde (mechanische) computer. Het zou een eeuwtje of vijftien duren voordat de mensheid opnieuw apparaten ontwikkelde van enigszins dezelfde kwaliteit. En ruim twintig voordat het mechaniekje bij het eiland Antikythera uit de zee zou worden opgevist. Ruim eenentwintig voordat we er, dankzij elektronische computers, achter zouden komen hoe ingenieus dit astronomische instrument in elkaar zit.

© sander grootendorst
 

zaterdag 17 maart 2018

Politieke betrokkenheid



Emiel de Weerd (VVD/Lokaal 2000) aan het woord tijdens een levendige verkiezingsbijeenkomst in de bibliotheek in Twello vrijdagavond. Lijsttrekkers Bert van de Zedde (CDA), Arjen Lagerweij (Gemeentebelangen), Wim Vrijhoef (D66), Arco Hak (SGP) en Bert Visser (PvdA/GroenLinks) luisteren aandachtig. Niet zichtbaar op de foto: Arend Jansen (LIjst 6). Die liet zich op een gegeven moment ontvallen dat hij 'geen enkel ruimtelijk inzicht heeft'. Zo opgetekend klinkt dat sullig. Toch was het eerder kenmerkend voor de kwaliteit van de soms felle, maar nooit onaangename, altijd inhoudelijke discussies. Met af en toe ook een politieke knipoog. Net als de andere zes bleek Jansen over veel kennis van zaken te beschikken. Hij en ook Arco Hak merkten nadrukkelijk op dat de gemeente Voorst waarschijnlijk het slachtoffer zal zijn van een volgende gemeentelijke herindeling. Wellicht is dat om technisch-bestuurlijke redenen nuttig: problemen genoeg (mede omdat Den Haag steeds meer taken aan gemeenten meent te moeten toewijzen), maar voor je het weet maak je kunstmatig een einde aan de huidige politieke stabiliteit en betrokkenheid: waarin een kleine gemeente groter kan zijn dan een grote.


Sander Grootendorst © 2018

woensdag 21 februari 2018

IJstijd


Misschien kunnen we de komende dagen toch nog een laatste stuiptrekking verwachten van de voor het gevoel al voorbije winter. IJstijd met Poëzietheater Vlinderwerk.

zondag 21 januari 2018

Muzecollectief in de Buitensociëteit



Inspirerend vakmanschap

Josine Hulshof (accordeon) en Boukje Musch (klarinet) spelen Bulgar aus Odessa. Een van de stukken  tijdens het eerste lustrumconcert van het Muzecollectief, een verzameling muziekdocenten met als thuisbasis de Muzehof in Zutphen. Daar waren de meesten van hen tot vijf jaar geleden in vaste dienst, maar bezuinigingen in de cultuursector eisten hun tol. De docenten kwamen echter niet op straat te staan, ze gingen door als zzp'er, en ze richtten bovendien, op basis van wat ze al samen hadden, het Muzecollectief op. 'We hebben van de nood een deugd gemaakt,' zei voorzitter en zangdocent Ivette van Laar bij de opening van het concert zaterdag in de Buitensociëteit.
Presentator Emile Engel, tevens pianodocent, stipte vrijdag in de Stentor twee keerzijden aan van het op zichzelf geslaagde concept. Ten eerste is het een stuk moeilijker geworden voor financieel minder bedeelden om muziekles te volgen. Om zelf het hoofd boven water te houden, moesten de zzp'ers immers de prijzen verhogen. Ten tweede hebben de docenten van minder gangbare, maar wel mooie – en in orkesten veel gevraagde – instrumenten als hobo en fagot het moeilijk gekregen. Het zou jammer zijn als die instrumenten van het toneel verdwijnen.
23 van de 28 Muzedocenten waren zaterdag in de Buitensociëteit van de partij. Geen hobo en fagot inderdaad, wel een inspirerend collectief aan andere instrumenten, inclusief de menselijke stem. Steeds in wisselende samenstellingen traden ze op. Klassiek – van Franz Schubert tot Daan Manneke – voerde de boventoon, maar folk (klezmer), jazz, kleinkunst en variéte waren ook vertegenwoordigd. Volgens Engel zijn de verschillen tussen de genres tamelijk kunstmatig, helemaal als je de indeling beziet met het oog op een van de belangrijkste functies van muziek: het uiting geven aan en overbrengen van emoties.
De Buitensociëteit kon zoals altijd alle emoties en muzieksoorten moeiteloos aan. 'Het is en blijft een van de mooiste zalen van het land,' zegt Engel.
Aan het slotstuk namen alle 23 docenten deel. Het was een combinatie van de muziek die in de vorige eeuw is gebruikt voor de Grolsch-reclame 'vakmanschap is meesterschap' (componist Clous van Mechelen) met ABBA's Thank you for the music. In de praktijk bleek het ook, en vooral, een combinatie van muziek en plezier maken. De zaal galmde nog lang na van zoveel vrolijk vakmanschap.

zaterdag 13 januari 2018

De Kift in het Burgerweeshuis

Ik zing dit lied als tijdverdrijf


Vier van de twaalf: Eilidh Martin (cello), Saskia Meijs (altviool), Ferry
Heijne (stem), Wim ter Weele (schilderij) tijdens het nummer D.
Als publiek weet je vaak niet waar je kijken en luisteren moet, zoveel gebeurt er op het podium bij een optreden van De Kift. Wie even niet oplet, kan het zomaar ontgaan dat de drummer tussendoor is opgestaan en aan een schilderij is begonnen. De werken die hij, Wim ter Weele, tijdens het concert heeft vervaardigd, gaan van de hand voor het bedrag dat de koper 'ervoor over heeft', meldt bandleider Ferry Heijne na het slotnummer. Ter Weele en Heijne zijn de mannen van het eerste uur bij  De Kift, dertig jaar geleden opgericht.
In deels vast, deels wisselend gezelschap veroverde de band een cultstatus met zijn unieke combinatie van punk en fanfare, rijk aan muzikale en poëtische inhoud. Zang, gesproken woord en een scala aan instrumenten – recentelijk zijn cello en altviool toegevoegd – vormen een fantasierijk, feestelijk en vaak  ook dromerig geheel. De woorden zijn door Ferry Heijne wakker geschud uit de wereldliteratuur en in de muziek ondergebracht.
Het ene moment voelt het alsof je je in het plaatselijk carnavalsgedruis bevindt, het volgende alsof je in een parallel universum bent beland. Alsof er een – dicht opeengepakt – stelsel van twaalf sterren op het podium staat te swingen.
De ster heet een van de nummers van de nieuwe cd Bal, die vrijdagavond in z'n geheel werd uitgevoerd in het Burgerweeshuis in Deventer. Op het als een ouderwetse landkaart in de cd-hoes meeverpakte geïllustreerde tekstvel – makkelijk uit-, maar nauwelijks terug te vouwen –, staat dat de tekst afkomstig is van onder anderen de Duitse schrijver Elias Canetti, de Italiaanse dichter Francesco Petrarca en de Russische dichter Sergej Jesenin.
Weinig muzikanten op deze aardkloot zijn zo belezen als Ferry Heijne. Niet dat hij zich erop voorstaat. De woorden klinken op de eerste plaats als een liefdesverklaring aan de literatuur, een weerspiegeling van de grootsheid daarvan. Ze tuimelen over elkaar heen, nu eens uitbundig, dan opeens weer ingetogen. 
Je maakt het zelden mee bij een popconcert in Nederland: maar bij het fijngevoelige nummer D. kon je in het hele Burgerweeshuis een speld horen vallen. Niemand sprak er doorheen.
Het is feest op de cd, maar dan wel in het aangezicht van de eindigheid van het bestaan. Wat blijkt? Des te fijner het feest!
De literatuur is een ster, 'iemand die na honderden jaren precies nog hetzelfde eet als toen hij twintig was', de muziek is een ster – maar wij zijn stervelingen. Hoe zullen we het begrensde aantal uren dat ons is toebemeten besteden? De Kift stelt voor: met muziek en poëzie. 'Ik zing dit lied als tijdverdrijf', laat Heijne de toehoorders weten, in het voetspoor van de Franse schrijver Louis Aragon.
Alle nummers op Bal gaan op een of andere diepzinnige manier over het verstrijken van de tijd. 
Een concert van De Kift is altijd ook een knipoog naar de tijd.
Een vette knipoog.


De Kift op een volgepakt podium, met onder anderen: Frank van den
Bos (toetsen), Roos Janssens (baritonsax), Wim ter Weele (stem).

Op de achtergrond nog zichtbaar: Lot Vandekeybus (trombone)
en Pim Heijne (gitaar).

sander grootendorst © 2018