vrijdag 15 februari 2019

IJzersterk



Muurvarenplantje (Asplenium ruta-muraria) op een metalen fietsenleuning. Een gaatje waar wat regenwater in blijft staan is voldoende. De droge blaadjes die tegen het metaal plakken zijn mogelijk een herinnering aan de droogte, waar het ijzersterke plantje zich dapper doorheen heeft geslagen. Gewoonlijk is deze soort aan te treffen in het voegsel tussen de stenen in oude muren.

sander grootendorst © 2019 

donderdag 7 februari 2019

Een leegte in het uitzicht

Ze stonden er gedrieën als natuurlijke tegenhangers van het trio metallieke vogelverschrikkende windturbines een eindje noordelijker op bedrijventerrein c.q. woonwijk De Mars in Zutphen. Onderdeel van het gezicht op de stad. Een herinnering bovendien aan het geboomte van het Coenenspark, dat ooit aan de IJsselzijde van het station lag. Lopend langs de rivier werden we vandaag opgeschrikt door het naargeestige geluid van kettinggezaag. En toen het gekraak van een vallende boom. Er was een sieraad aan het stadslandschap onttrokken. Er bleef een leegte in het uitzicht over.



sander grootendorst  © 2018

maandag 4 februari 2019

65 jaar na dato opnieuw een feest van de poëzie



Merijn Schipper, hoofdredacteur van Poëzietijdschrift Awater, was zondagmiddag in de Zutphense bibliotheek een van de veertien voorlezers van vier of meer gedichten uit de beroemde verzamelbundel 'Nieuwe griffels, schone leien', samengesteld in 1954 door Paul Rodenko, die in Zutphen woonde. Met die, ongekend succesvolle, bundel wierp Rodenko een steen in de poel van gezapigheid zoals de poëzie in die periode door velen werd ervaren. 65 jaar na dato werd het voorlezen ervan een waar feest van de poëzie. Kleinschalig, maar groots. De voordrachten klonken stuk voor stuk even bevlogen, de gedichten daardoor als nieuw. Willemijn Meijborg, een kleindochter van Paul Rodenko las diens korte gedicht 'Bommen' voor. Dat maakte de middag compleet.

woensdag 30 januari 2019

Sneeuw, mens, dier



De sneeuwdeken die over het landschap ligt terwijl ik dit schrijf, brengt stad en platteland nader tot elkaar, doet grenzen vervagen. Ook heden en verleden worden verbonden: in het park achter de middelbare scholen bekogelen jongens elkaar met sneeuwballen zoals jongens dat in de zestiende eeuw al deden.
En zoals ik dat, korter geleden, deed met mijn inmiddels uit het oog verloren schoolkameraden in een andere stad, ver weg van hier. 
Vandaag voelt het dichtbij. Ik zou de jongens bijna toeroepen: Hé Johan! Hé Johnny! Hé Cock! Maar ik denk niet dat er tegenwoordig nog jongens zijn die Cock heten.
Een man en een hond komen aangewandeld en een van de schoolkameraden, tweedeklassers, schat ik, roept: Even stoppen met gooien! Zodra man en hond zijn gepasseerd, wordt het sneeuwbalspel voortgezet. In het groepje zit blijkbaar een scholier die over natuurlijk leiderschap beschikt, denk ik bij mezelf. Voorbeeldig.
De man beweegt zich behoedzaam over de platgetrapte sneeuw, de aangelijnde hond wil liever snel. In deze weersomstandigheden maakt de hond de indruk de leider te zijn. De natuurlijke leider, wel te verstaan, want de man vindt het zo te zien oké.
Hij groet de jongens vrolijk en ze moeten allemaal lachen om de niet zo voorbeeldige viervoeter. Wanneer honden sneeuw zien, zijn ze niet meer te houden. Zelfs overdreven brave schoothondjes vergeten dat ze in wezen extreem zijn gedomesticeerd. De sneeuw brengt de wolf in hen naar buiten.
In mijn stadstuintje – de kleine omvang verraadt dat dit niet het buitengebied is, ondanks het verhullende sneeuwtapijt – duikt een ander zoogdier op, een bosmuis. Ze komt op het vogelvoer af dat ik op het sneeuwvrij geveegde pad heb gestrooid en vreest de strengheid van de winter niet, daar maakt ze juist handig gebruik van: bij onraad vlucht ze de sneeuwlaag in, ogenblikkelijk onzichtbaar, als in een muizenhol. Ook muizen zijn sneeuwliefhebbers. Hun vijanden, de uilen, minder. In sneeuwrijke winters hebben kerkuilen het zwaar omdat ze hun belangrijkste prooidier, de veldmuis, nergens kunnen zien of horen. Sneeuw dempt alles.
Een groepje mezen dient zich aan, ook al vrolijk, niet vanwege de sneeuw, maar vanwege het voer, vermoed ik – al is dat wellicht te menselijk gedacht. Anderzijds, zoveel verschilt ons dna nou ook weer niet van vogel-dna. Zo hebben koolmezen net als wij elk hun eigen karakter. Dat is onderzocht door biologen. Je hebt de verlegen koolmees, de brutale, de slimme… 
Ze zijn met z’n vijven. Haantje de voorste neemt een duik naar de voedertafel. Is het de verlegen koolmees? (Verlegenheid sluit dapperheid niet uit). Of de slimme, die doorheeft dat er niet héél veel zonnepitten liggen? Ik houd het toch op de brutale.
En zit er een natuurlijke leider in het groepje, een primus inter pares? Het valt uit hun speelse gedrag vandaag niet op te maken.
Eentje heeft er met z’n snavel diep in de sneeuw gezeten, die is helemaal wit. Wil hij een sneeuwgevecht aangaan met z’n kameraden?
O nee, dat is echt al te menselijk gedacht… Maar het gaat vanzelf. Sneeuw brengt mens en dier nader tot elkaar.

© 2019
Sander Grootendorst, Contact/ Achterhoek Nieuws



zondag 30 december 2018

Concertgangers

Nabij de IJsselsalon, waar zondagmorgen zojuist het eerste ‘wandelconcert’ heeft plaatsgevonden, vertelt Jurn Buisman het bezoek – muziekliefhebbers uit het hele land – over de geschiedenis van Zutphen. 
Het is een van de zes groepen die vandaag op drie locaties komt luisteren naar miniconcerten. De afstand ertussen leggen ze wandelend af. De formule slaat aan, geen wonder, want de kwaliteit van de muziek is zonder uitzondering hoog. En Zutphen een interessante stad... Al laat de bereikbaarheid ervan soms te wensen over: pianist Artem Belogurov en celliste Octavie Dostaler Lalonde arriveren een paar minuten te laat op hun eigen concert. De fancy Swiss train (zei Belogurov) trein had vertraging. De muziek niet: zonder noemenswaardige voorbereiding en vervolgens ook zonder noemenswaardige pauzes speelt het jonge duo uiteenlopende stukken waaronder subliem ingetogen Après une rève van Fauré en vol overgave Debussy’s avontuurlijke cellosonate.
In Dat Bolwerck lijkt Rémy Baudet één geheel te vormen met zijn viool (in muzikale zin dan), zo soepel en energiek klinkt een stuk van de 18e-eeuwse componist Veracini, begeleid door Pieter Jan Belder op klavecimbel (‘basso continuo’). De klavecimbel oogst niet alleen om zijn ferme klanken, maar eveneens om zijn fraaie uiterlijk bewondering van het publiek, dat het oog ook wat gunt.
Op een fortepiano uit 1785 speelt Riko Fukuda in het Geelvinck Muziek Museum – waarvan Buisman zakelijk leider is – eerst een stuk van Haydn, waarna ze voor Robert Schumann en Chopin overstapt op een fortepiano uit 1845. Zo moeten Haydn, Schumann en Chopin dus in hun tijd geklonken hebben. Directer, meer to the point (en juist daardoor met voelbaar meer emotionele lading) dan op moderne piano's, zou je misschien kunnen zeggen. Passend bij de culturele periode waarin ze leefden – de Romantiek. Op Steinways en andere moderne instrumenten klinken hun composities overigens nog altijd prachtig, maar tijdens het luisteren naar Fukuda's intense uitvoering van de tweede Romance uit opus 28, raak ik er toch al snel van overtuigd dat ik dat stuk op een moderne piano nooit zo subtiel mooi heb horen spelen. 

(Tijdens de wandeling vernemen de concertgangers met enige regelmaat vuurwerkgeknal, gids Buisman weet zich er  af en toe door overstemd. Vrijwel niemand kijkt op of om of zegt er iets van, wat de indruk dat het afsteken van vuurwerk een vorm van hedendaags absurdisme is alleen maar versterkt).

sander grootendorst © 2018

donderdag 27 december 2018

Duizendblad in het Groote Veld (in memoriam Jenny Polman)


Vandaag een wandeling gemaakt in natuurgebied Het Groote Veld, met dezelfde hond als in de column, die deze week is gepubliceerd in Contact/Achterhoeks Nieuws. En we kwamen dezelfde plant tegen, één solitair exemplaar. Onderstaande column schreef ik voorafgaand aan de mooie en bijzondere uitvaartbijeenkomst afgelopen zaterdag. Voordat ze naar de stad Lochem verhuisde, woonde journalist Jenny Polman (1957-2018) vele jaren in het Groote Veld. 

Groote Veld, Warnsveld, 27 dec. 2018

Duizendblad

Op de rouwkaart staat de vraag of de bezoekers bij de uitvaart in Haarlo een bloem willen meenemen. 'Jenny hield veel van de natuur.' Met z'n allen kunnen we een mooi veldboeket samenstellen, is het idee.

Tijd voor een wandeling met de hond. Die maakt me door haar niet aflatend gesnuffel constant attent op wat er plaatsvindt op de grond. Ze kijkt ook wel omhoog, om zich heen, maar meestal met als doel de aantrekkelijke bodemgeuren van verder weg op te snuiven, waar ze mij vervolgens poogt naartoe te trekken.
Het is december en er bloeien nog veel planten. Het voelt bepaald niet winters buiten, eerder lente-achtig. Drie jaar geleden stonden langs de Martinetsingel in Zutphen narcissen te bloeien. In de krant kon ik dankzij Jenny melden dat dat ook in Lochem het geval was: in de berm van de Zutphenseweg, om de hoek van waar zij woonde.
Nu zie ik ze niet, wel madeliefjes, die van oudsher het hele jaar door bloeien, ook al toen nog niemand het over klimaatverandering had. Achter theater Hanzehof bloeien enkele exemplaren van het duizendblad, die houden het normaliter minder lang vol. Ze zijn zeer algemeen, de natuur kan er vast wel eentje missen, zeker als hij voor Jenny is. Ik houd de pluim met witte bloempjes bij mijn neus – soort automatisme – en constateer dat hij best lekker ruikt, best sterk ook. De hond haalt háár neus ervoor op, deze geuren boeien haar niet.
De blaadjes van het duizendblad zijn driedubbel geveerd, heel verfijnd. Sinds mensenheugenis worden de soort geneeskrachtige eigenschappen toegedicht. Je kunt er thee van zetten. Helpt bij verkoudheid en griep.
Bestond er maar iets zo algemeens en makkelijks tegen ernstige ziektes waaraan mensen – veel te jong nog – overlijden. Jenny Polman werd eenenzestig jaar.
'Mens en natuur' is het thema van mijn vierwekelijkse bijdrage aan deze rubriek. Die twee woorden combinerend met de streek waarin wij ons bevinden, de Achterhoek, kom je al snel op de naam Jenny Polman. Jarenlang schreef ze voor dagblad de Stentor (en voorgangers) tal van artikelen over plant, dier en landschap in Lochem, Zutphen en verre omstreken. Ze was mede-bedenker van de veelgelezen pagina 'Langs Berkel en IJssel', waarin wij getweeën de rubriek 'Waarnemingen' verzorgden. Aanvankelijk vooral gedacht als fenologisch meldpunt, dat wil zeggen: lezers konden doorgeven wanneer ze voor het eerst in de lente een tjiftjaf hadden horen zingen, de eerste citroenvlinder hadden ontdekt, of in de herfst de laatste. De waarneming van bloeiend duizendblad in december had erin gepast.
Het werd vanzelf een rubriek met alle mogelijke natuurwaarnemingen, waarin met enige regelmaat ook de bezorgdheid om de natuur, waarmee het niet zo goed gaat, werd geuit. Zoals de lezersvraag: 'Waarom zie ik toch nergens merels?' Vermoedelijk was het aantal door een ernstige virusziekte gedecimeerd.
Met de geplukte bloem in mijn hand loop ik via een omweg met de kwiek kwispelende hond terug naar huis. Onderweg hoor ik onverwachts een merel zingen. Alsof hij al doorheeft dat tegen eind december de dagen weer gaan lengen.
Maar het lijkt ook net of hij deze morgen zijn lied speciaal voor Jenny zingt.


© 2018 sandergrootendorst / Achterhoeks Nieuws
Derde aflevering van een reeks over mens & natuur, natuur & mens


Rode variant van duizendblad, Eefde, sep. 2018